Traditiegetrouw gaan we als het even kan bijna elk jaar naar het Parijse tennistoernooi Roland Garros. Als niet- oorspronkelijke tennisfreack-maar-meegesleept-en-enthousiast-geworden, kijk ik altijd naar veel meer dan tennis. Vooral naar mensen, want daar zijn er genoeg van.
Hoewel je de term ‘met de Franse slag’ wel begrijpt als je de hotelkamers of verkeerssituatie ziet, is het tennisevenement tot in de puntjes georganiseerd en geregeld. Niets wordt aan het toeval overgelaten.
Wat me opvalt, is dat iedereen zijn rol, rang, stand en taak heeft in het geheel van de organisatie, inclusief- en dat is heel grappig- bijbehorend uniform. De ijsverkopende meisjes dragen lange witte jurken, de lijn- en scheidsrechters verschijnen allemaal in dezelfde sportieve nette kleding van bekend duur merk, de mannen van de securité gaan strak in zwart pak gekleed. De outfits van de ballenjongens en meisjes zijn eveneens sportief, maar losser en minder deftig dan de (hogergeplaatste) scheidsrechters.
Het is de laatste groep die mij vooral aan het denken zet. Niet alleen merk ik dat plaatsen en rollen helder en hiërarchisch geordend zijn – en hoewel ik toegeef dat ik daar gevoelig voor ben, is het ook werkelijk heel zichtbaar-, daarnaast blinken sommige radertjes in het systeem uit in dienstbaarheid. Dat zijn dus de ramasseurs de balles, de ballenjongens (en meisjes).
Het is fascinerend om te zien hoe georganseerd en getraind ze ervoor zorgen dat spelers altijd over ballen, handdoeken, maar ook drinken en paraplus tegen te veel zon kunnen beschikken. En dat zonder in de weg te lopen of aandacht naar zichzelf toe te trekken.
Een hele kunst om zo alert en oplettend en inlevend te zijn dat je zelf initiatief kunt nemen om op het juiste moment van dienst te zijn. Een bezwete speler laten wachten op een handdoek is bijvoorbeeld uit den boze.
Met niet aflatende energie en allertheid stellen deze jonge mensen hun diensten beschikbaar en, zoals het lijkt: belangeloos. Sterker nog, van enige aandacht en erkenning van het bestaan van deze groep is – op het veld- geen sprake. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat je op een bankje zit en naast je staat iemand met een paraplu om je schaduw te geven. Keurig rechtop, zelf in de volle zon, een ongebruikte arm netjes op de rug. Het toppunt van dienstbaarheid!
Soms krijgt een van hen een opdracht: haal die bal, zorg voor dit of dat. Simpele dingetjes, die onmiddellijk gedaan moeten worden. Dus nooit in discussie gaan of even eerst iets anders doen voordat je het bevel opvolgt, maar direct gehoorzamen. Dit levert een interessante combinatie op van enerzijds dienstbaar initiatief (zien wat nodig en gewenst is) en anderzijds vlotte gehoorzaamheid. Ze doen het prachtig!
Natuurlijk kan deze combi van initiatief en gehoorzaamheid alleen kan bestaan binnen bepaalde kaders. Zo hebben de ballenjongens instructies over de terreinen van hun dienstbaarheid: wat wel en hoe en wat niet. Ze weten wat gepast is en wat er van hen wordt verwacht. Zo haalt geen ballenjongen het in zijn hoofd een arm om een gefrustreerde speler heen te slaan, die net een set verloren heeft, onder het uitroepen van: “het is maar een spelletje!” Dat is overduidelijk ongepast. Ook zal een speler een ballenjongen niet opdragen om een broodje kroket te halen of om na de wedstrijd de baan te vegen. Dat doen anderen weer. Ieder heeft zijn rol en zijn plaats.
Mooie symboliek en mooie beelden en de vergelijking met D/s is gauw gemaakt. De duidelijke structuur waar je soms als sub zo naar verlangt, maar die niet altijd zo concreet en tastbaar is als de uniformen en de taakomschrijvingen van de medewerkers van Roland Garros. Zoeken naar de juiste mix van gehoorzaamheid en dienstbaarheid. En ook het mooie als je voelt wat gepast is en wat niet en als je net op het juiste moment op de juiste plek bent. Zoals de jongen met de paraplu.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten