vrijdag 29 mei 2009

Op uw wenken

Traditiegetrouw gaan we als het even kan bijna elk jaar naar het Parijse tennistoernooi Roland Garros. Als niet- oorspronkelijke tennisfreack-maar-meegesleept-en-enthousiast-geworden, kijk ik altijd naar veel meer dan tennis. Vooral naar mensen, want daar zijn er genoeg van.

Hoewel je de term ‘met de Franse slag’ wel begrijpt als je de hotelkamers of verkeerssituatie ziet, is het tennisevenement tot in de puntjes georganiseerd en geregeld. Niets wordt aan het toeval overgelaten.

Wat me opvalt, is dat iedereen zijn rol, rang, stand en taak heeft in het geheel van de organisatie, inclusief- en dat is heel grappig- bijbehorend uniform. De ijsverkopende meisjes dragen lange witte jurken, de lijn- en scheidsrechters verschijnen allemaal in dezelfde sportieve nette kleding van bekend duur merk, de mannen van de securité gaan strak in zwart pak gekleed. De outfits van de ballenjongens en meisjes zijn eveneens sportief, maar losser en minder deftig dan de (hogergeplaatste) scheidsrechters.

Het is de laatste groep die mij vooral aan het denken zet. Niet alleen merk ik dat plaatsen en rollen helder en hiërarchisch geordend zijn – en hoewel ik toegeef dat ik daar gevoelig voor ben, is het ook werkelijk heel zichtbaar-, daarnaast blinken sommige radertjes in het systeem uit in dienstbaarheid. Dat zijn dus de ramasseurs de balles, de ballenjongens (en meisjes).

Het is fascinerend om te zien hoe georganseerd en getraind ze ervoor zorgen dat spelers altijd over ballen, handdoeken, maar ook drinken en paraplus tegen te veel zon kunnen beschikken. En dat zonder in de weg te lopen of aandacht naar zichzelf toe te trekken.

Een hele kunst om zo alert en oplettend en inlevend te zijn dat je zelf initiatief kunt nemen om op het juiste moment van dienst te zijn. Een bezwete speler laten wachten op een handdoek is bijvoorbeeld uit den boze.

Met niet aflatende energie en allertheid stellen deze jonge mensen hun diensten beschikbaar en, zoals het lijkt: belangeloos. Sterker nog, van enige aandacht en erkenning van het bestaan van deze groep is – op het veld- geen sprake. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat je op een bankje zit en naast je staat iemand met een paraplu om je schaduw te geven. Keurig rechtop, zelf in de volle zon, een ongebruikte arm netjes op de rug. Het toppunt van dienstbaarheid!

Soms krijgt een van hen een opdracht: haal die bal, zorg voor dit of dat. Simpele dingetjes, die onmiddellijk gedaan moeten worden. Dus nooit in discussie gaan of even eerst iets anders doen voordat je het bevel opvolgt, maar direct gehoorzamen. Dit levert een interessante combinatie op van enerzijds dienstbaar initiatief (zien wat nodig en gewenst is) en anderzijds vlotte gehoorzaamheid. Ze doen het prachtig!

Natuurlijk kan deze combi van initiatief en gehoorzaamheid alleen kan bestaan binnen bepaalde kaders. Zo hebben de ballenjongens instructies over de terreinen van hun dienstbaarheid: wat wel en hoe en wat niet. Ze weten wat gepast is en wat er van hen wordt verwacht. Zo haalt geen ballenjongen het in zijn hoofd een arm om een gefrustreerde speler heen te slaan, die net een set verloren heeft, onder het uitroepen van: “het is maar een spelletje!” Dat is overduidelijk ongepast. Ook zal een speler een ballenjongen niet opdragen om een broodje kroket te halen of om na de wedstrijd de baan te vegen. Dat doen anderen weer. Ieder heeft zijn rol en zijn plaats.

Mooie symboliek en mooie beelden en de vergelijking met D/s is gauw gemaakt. De duidelijke structuur waar je soms als sub zo naar verlangt, maar die niet altijd zo concreet en tastbaar is als de uniformen en de taakomschrijvingen van de medewerkers van Roland Garros. Zoeken naar de juiste mix van gehoorzaamheid en dienstbaarheid. En ook het mooie als je voelt wat gepast is en wat niet en als je net op het juiste moment op de juiste plek bent. Zoals de jongen met de paraplu.

woensdag 20 mei 2009

False sense of entitlement

De laatste tijd ben ik veel aan het nadenken over verwachtingen en het concept ‘ false sense of entitlement’ . Dat laatste begrip duidt op het onterechte idee dat iemand in een TPE relatie kan hebben dat hij of zij als onderdanige ‘ recht’ heeft op iets of redelijkerwijs mag verwachten dat bepaalde zaken gebeuren.

In onze visie is dit niet het geval. Alles wat de onderdanige, als eigendom ontvangt, is als het ware een privilege.

Nu klinkt dat in theorie wel goed en logisch, in de praktijk is het toch wel even anders. En ik wil nooit iemand zijn die zich puur op theorie richt, zonder dat er een duidelijke praktijkinvulling tegenover staat!



False sense of entitlement heeft te maken met verwachtingen. Bewust of onbewust hebben we allemaal verwachtingen, gaan we ervan uit dat sommmige dingen ons rechtmatig toekomen, dat ze ‘ zo en zo’ (en niet anders, of maar een beetje anders) zullen verlopen.

Zo reken ik erop dat elke ochtend op een bepaalde tijd de trein vertrekt, zodat ik naar mijn werk kan. Rijdt de trein niet volgens mij verwachtingen, dan ben ik teleurgesteld, boos of gefrustreerd.



Als je uitgaat van een relatie waarin de een alle macht en verantwoordelijkheid heeft en de ander alle macht loslaat en in alle openheid volledig streeft naar overgave, dan kun je niet meer van dit soort verwachtingen spreken. Dan moet je eigenlijk, letterlijk, alles loslaten.



In de praktijk vind ik dat niet haalbaar, ben ik bang. Ik bedoel: ik reken er op dat hij me naar mijn werk laat gaan, elke dag weer. Dat is een verwachting –die hij overigens zelf gevoed heeft door duidelijk te maken dat hij wil dat ik werk.

Ik reken er ook op dat ik elke nacht in zijn bed mag slapen – ookal vraag ik daar al sinds een paar jaar elke avond weer toestemming voor. Hij heeft me nog nooit geen toestemming gegeven, dus is die verwachting bij mij reeel. Maar is ze ook wenselijk? Is het niet een kwestie van false entitlement? Moet je als onderdanige niet in verwachtingen gefrustreerd worden, zodat je beseft dat het niet aan jou is om dit soort kaders in de relatie te plaatsen? Want als hij mij niet toestaat iets te doen wat ik verwacht – en dat kan- dan ben ik (net als met de trein) boos, teleurgesteld of gefrustreerd en in het ongunstige geval: alledrie.

En is de verwachting dat hij me in mijn verwachtingen frustreert niet een verwachting op zichzelf? Een keurslijf dat ik hem opleg, hoe hij met mij om moet gaan, omdat onze relatie anders zal barsten van het ‘ false entitlement’ ?


Verwachtingenmanagement, een term die ik hoorde in relatie tot een traject rondom marketing en pr van een organisatie onlangs. Zo omgaan met je ‘ klanten’, ze zo bespelen dat ze realistisch zijn in wat ze van je kunnen verwachten en wat niet. Met als gevolg dat ze tevreden zijn en positief tegen je organisatie aankijken. Omdat dat is wat je wilt. Zou verwachtingenmanagement niet ook iets zijn voor ons?